1 Meztitaur

Essay Burgerkracht

Op het idee van burgerkracht is sinds het RMO-essay hierover veel kritiek losgekomen. Het boek van Sjef de Vries is een van de meest doorwrochte en complete, erkent Nico de Boer, zelf auteur van het bekritiseerde essay.

In de overgang van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving wordt veel van de eigen kracht van burgers verwacht. In het recent verschenen ‘Eropaf… en dan?’ onderwerpt Sjef de Vries die verwachtingen aan een minutieuze analyse. Is er wel zo’n groot onbenut potentieel aan burgerkracht in de samenleving? Hoeveel bezuiniging levert het op als burgerkracht beter wordt benut? Verdringt staatszorg informele zorg of vullen beide elkaar aan? De Vries is daarnaast sceptisch over de waarde van de Eropaf!-benadering. Immers: de nadruk op wijkgericht werken staat de aandacht voor andere vindplaatsen in de weg en het gevaar bestaat dat Eropaf!-projecten een nieuwe institutionele laag gaan vormen. En ook over de roep om meer burgerkracht heeft hij zo zijn bedenkingen. Psychosociale problemen laten zich er niet altijd mee oplossen en vrijwilligers in de zorg hebben veel professionele aandacht nodig. Cliënten ervaren de hulp van een vrijwilliger eerder als een bonus dan als een basis om je leven in te richten.

Kennis van zaken, maar wat is alternatief?

De Vries – in het dagelijks leven directeur van het Nascholingscentrum Maatschappe­lijk Werk en een erkend internationaal pionier in het ‘oplossingsgericht werken’ – zet zijn betoog kracht bij met een grote hoeveelheid onderzoeken. ‘Eropaf… en dan’ kan alleen al om die reden worden gezien als de meest doorwrochte en complete kritiek op recente vernieuwingen in zorg en welzijn die uitgaan van een grotere rol van burgers (of desnoods cliënten).

Onduidelijk blijft wat De Vries’ alternatief is. Hij maakt wel aannemelijk dat het maatschappelijk werk een lange traditie heeft in het integraal aansluiten bij de mogelijkheden van burgers, maar betekent dat dat de werksoort klaar is voor een toekomst onder zware budgettaire druk? In de vernieuwingsbeweging liepen maatschappelijk werkinstellingen de afgelopen jaren bepaald niet voorop. Verspreid in het boek ventileert ook De Vries rake kritiek op het maatschappelijk werk, dat ‘een flink aantal jaren verwijderd is geraakt van een van haar belangrijkste taken: de directe, praktische hulp voor de onderkant van de samenleving.’ (p79) Naar zijn smaak is er echter sinds de jaren negentig een vernieuwingsbeweging gaande, die een impuls heeft gekregen van Welzijn Nieuwe Stijl, Eropaf! en het RMO-essay Burgerkracht, die als een ‘wake up call’ (p. 89) hebben gewerkt. Zou het aloude maatschappelijk werk dan inderdaad het wenkende perspectief zijn? Buiten kringen van de werksoort zelf hoor je eigenlijk nooit iemand dat beweren.

Wie betaalt keuzevrijheid?

Tussen de vele argumenten van het type ‘ja, maar…’ stelt De Vries interessante kwesties aan de orde. Een mooi voorbeeld daarvan is ‘de ethische vraag of we kwetsbare mensen voor hun gewenste en noodzakelijke zorg afhankelijk mogen maken van de onbestendigheid van vrijwilligheid’ (p54), verderop geconcretiseerd in: ‘Er zullen cliënten zijn die […] de neutraliteit, het ambtsgeheim en de deskundigheid van professionals prefereren boven de afhankelijkheid van de goodwill van familie en vrijwilligers en de gevoelde verplichting tot dankbaarheid en wederdienst.’ Die zullen er inderdaad zijn, heel wat zelfs. Tegenover die ethische vraag  staat een andere, niet minder ethische: staat het zulke cliënten vrij om die persoonlijke en begrijpelijke voorkeur ongevraagd door het collectief te laten betalen?

Ten slotte: had de uitgever het boekje niet iets minder stiefmoederlijk kunnen behandelen? Een eindredacteur zou het toch moeten opvallen dat ons ministerie niet dat van WVS maar van VWS is, zelfs in de flaptekst staan fouten en er ontbreken auteurs in de literatuurlijst, om maar een paar voorbeelden te noemen.

Sjef de Vries, ‘Eropaf… en dan?’ is uitgegeven door SWP met ISBN 978-90-8850-310-8

Pieterjan van Delden is terug met een essay over de eigen rol van burgers in het sociaal domein. Het essay is gebaseerd op eigen onderzoek in twee Nijmeegse wijken en presenteert een nieuw model voor sociale dynamiek.

Sinds zijn promotie acht jaar geleden is Pieterjan ook als onderzoeker verbonden aan TIAS Businesschool, gelieerd aan de Universiteiten van Eindhoven en Tilburg. Centraal bij zijn onderzoekswerk staan de zogeheten 'wicked problems'. Een voorbeeld van zo'n taai probleem gaat schuil achter de drie landelijke decentralisaties in de sociale sector. Ze zijn alle gebaseerd op het idee van de zelfredzaamheid en onderlinge steun van burgers. Doen we er wel verstandig aan zo'n groot vertrouwen te stellen in burgerkracht?

Een paar citaten:
(...)"In het winkelcentrum kijken mensen elkaar weinig aan, buiten de hen bekende gezichten. Dit proces van onderling afstand nemen schrijdt langzaam voort. Bewoners ervaren dat en zijn er niet gerust op."(...)

(...)"Bij deze bewoners staat de ‘kleine’ leefwereld centraal, als overlevingsenclave in de ‘grote’ wereld van wijk en stad. Dat komt ook naar voren uit andere onderzoeken, waaruit blijkt dat wijkbewoners in de eerste plaats leven en elkaar steunen in ‘lichte gemeenschappen’, sociale netwerken van familie, vrienden en kennissen die vaak de buurt- of de wijkgrens overstijgen."(...)

De strekking van het essay is dat zelfredzaamheid en onderlinge steun bepaald wordt door 'collective agency', het gezamenlijke handelingsvermogen van burgers dat blijkt uit vele kleine initiatieven. Alleen als het persoonlijke en het gezamenlijke elkaar ontmoeten in dit gezamenlijke handelen ontstaat een duurzaam steunend netwerk. Organisaties kunnen dit stimuleren door 'publiek toegankelijk' te worden door samenwerking aan te gaan met burgerinitiatieven.

Pieterjan van Delden, Burgerdynamiek, een pleidooi voor agency, september 2017

Leave a Comment

(0 Comments)

Your email address will not be published. Required fields are marked *